MEP en SDE subsidies worden onterecht meegerekend

Kritiek:

http://www.nvde.nl/nvdeblogs/3205/
De analyse neemt alle kosten mee die vanaf het jaar 2003 zijn gemaakt om de energiehuishouding te verduurzamen. Maar het akkoord is pas in 2013 gesloten. Kosten die tot en met 2013 zijn gemaakt, zijn niet veroorzaakt door het Energieakkoord, maar door eerder beleid, deze zouden hier niet meegenomen moeten worden.

Een deel van de kosten vanaf 2014 wordt is ook veroorzaakt door commitments uit eerdere jaren. Dit geldt niet alleen voor de MEP-, SDE- en SDE+-subsidies die in eerdere jaren zijn gecommitteerd, maar ook voor bestaande beleidsinstrumenten voor energiebesparing met meerjarig vastgestelde budgetten; alleen als hun budgetten omwille van het Energieakkoord zijn verhoogd telt die verhoging mee. Ook deze kosten horen niet in deze analyse thuis.

Veel kosten worden veroorzaakt door de doelstelling van 14% hernieuwbare energie in 2020. Die doelstelling staat inderdaad in het Energieakkoord, maar het is ook een verplichting waar Nederland aan moet voldoen op basis van de EU-Richtlijn Hernieuwbare Energie. Deze verplichting dateert al van vóór het Energieakkoord, en ook zonder dat akkoord had Nederland die verplichting moeten nakomen. Sterker nog: de samenhangende afspraken in het akkoord voor Wind op Zee hebben juist bijgedragen aan de snelle kostendaling voor deze optie.

Reactie:

De KEA-spreadsheet rekent de gemaakte kosten tijdens de hele periode van de aanvang van de MEP (2003) tot het aflopen van de laatste SDE+ subsidie waarvoor de verplichting is aangegaan onder de kosten het Energieakkoord (2038).

Hierop is kritiek: die MEP en SDE uitgaven vallen niet onder de maatregelen waartoe in het Energieakkoord besloten is.

De reden dat de MEP en SDE  toch zijn opgenomen is dat de spreadsheet een juist beeld wilde schetsen van de nationale kosten die elk jaar gemaakt worden voor het halen van de doelstellingen van het Energieakkoord: de 14% in 2020 en de 16% in 2023. De uitgaven uit de MEP en SDE lopen door tot 2031 en het zou dus misleidend zijn om deze weg te laten in de berekening en de grafiek.

In hoeverre MEP uitgaven van voor 2013 meegenomen moeten worden is ook een kwestie van consequent zijn: het eerste doel is 14% duurzame energie in 2020. Dat wordt ook behaald als je alleen in dat jaar heel veel biomassa bijstookt. Dan zou je de voorafgaande en erop volgende jaren biomassabijstook niet mee hoeven te rekenen in de kosten.

De makers van de spreadsheet hebben ervoor gekozen om de maatregelen mee te rekenen die tot het resultaat in 2020 hebben geleid, de aanloop ernaartoe zeg maar, en ook de kosten die voortkomen uit die maatregelen, die na 2020 en 2023 doorlopen, zoals de subsidies aan de windparken die 15 jaar doorlopen. Daartoe is immers de verplichting aangegaan onder het Energieakkoord.

Er is niet voor gekozen om de kosten mee te rekenen van het volhouden van dat duurzame percentage na 2023. Daarover waren immers geen overheidsstukken beschikbaar.

De overweging om niet de relatieve kosten (ten opzichte van voorgaand beleid) maar de werkelijke kosten te berekenen is zelfs een belangrijke aanleiding voor het initiatief tot dit rapport: Minister Kamp noemde altijd slechts een deel van de kosten, en heeft zelfs een tijdje gezegd dat het Energieakkoord juist geld opleverde, omdat het in de plaats kwam van duurder vorig beleid (namelijk het regeerakkoord). Dan wordt onterecht de indruk gewekt dat het nastreven van 14% duurzaamheid in 2020 de burger geld op zou leveren.

Het rapport wil een correct beeld geven van alle kosten ten behoeve van de doelstellingen in de jaren dat ze gemaakt worden en dat houdt in dat de MEP en SDE niet weggelaten kunnen worden.

Dat houdt dus ook in dat het niet uitmaakt of de 14% verplicht is door Europa en dus niet meegerekend zou moeten worden, zoals in de kritiek gesteld wordt. Het rapport geeft de kosten voor de maatschappij van de 14% en 16% doelen, ongeacht onder welk beleidsvoornemen die vallen.

De kosten zijn in het rapport voor de duidelijkheid nog opgedeeld naar drie periodes: die waarvan ECN en PBL de kosten gaven in de enige schatting die ooit aan de kamer is overhandigd: 2013 tot 2020; en de periodes daarvoor en daarna.
Verder is in het rapport, zelfs in punt 1 van de samenvatting, duidelijk vermeld dat de kosten 95 miljard zouden bedragen als je de kosten van voor 2013 niet meerekent.
Met deze extra informatie is beoogd maximale transparantie en vergelijkbaarheid te bewerkstelligen.

(Update 5 maart 2019: Dit punt wordt nog eens nader belicht onder punt 9. De reacties van PBL en NVDE.)

Conclusie:

Het meerekenen van de MEP en SDE, en ook de 14% duurzaam die vanuit Europa verplicht is, maakt logischerwijze deel uit van het correct voorlichten van de bevolking over de werkelijk ten behoeve van het klimaatbeleid gemaakte kosten, en dienen dus niet uit deze kosten gehouden te worden. Het rapport is hier uitermate transparant over.