De reacties van PBL en NVDE

Inmiddels is er uitgebreid overleg geweest met Bart Strengers van het PBL en Marc Londo van de NVDE over hun kritiek op het rapport en de spreadsheet.

Daarnaast heeft Marc Londo van de NVDE op ons verzoek een repliek op onze bezwaren tegen zijn fact check op deze site geplaatst, met daarin een berekening van de (volgens hen) door ons ruim twee maal  te hoog gerekende nationale kosten. Deze repliek vindt u in originele vorm in de rechter kolom van dit bericht.

De reactie van het PBL op het rapport was (onder andere) ook dat de op een goede wijze berekende kosten van het Energieakkoord op ongeveer de helft van onze 107 miljard uit zouden komen. Maar het PBL komt pas in april met een cijfermatige onderbouwing van deze stelling.

De argumentatie van beide instituten komt echter in grote lijnen overeen, zoals u in de citaten van de kritieken in de eerste 8 punten onder de “Kritiek” tab kunt zien. Dus gaan we hier in op de repliek en de bedragen van de NVDE, en gaan ervan uit dat we daarmee alle bestaande kritiek afdoende geadresseerd hebben. Dat doen we punt voor punt.

Kritiek
De in deze studie toegepaste methode is inherent niet geschikt om nationale kosten te berekenen omdat hij uitgaat van overheidsuitgaven. Zoals in de factcheck aangegeven zijn dat heel verschillende dingen.

Reactie
De berekening van de spreadsheet gaat uit van de netto kosten voor de maatschappij als geheel en dus niet van de overheidsuitgaven. Als er kritiek op de berekening is, kan die alleen betrekking hebben op de concrete manier waarop de nationale kosten zijn berekend, en niet gebaseerd worden op de aanname dat een principieel andere rekenmethode of uitgangspunt is gehanteerd.

Invloed op de kosten
Geen

Kritiek
De studie rekent ook uitgaven die al vóór het energieakkoord zijn gecommitteerd mee. Oftewel: ook zonder energieakkoord zouden deze kosten zijn gemaakt. Het is in mijn ogen logisch om ze hier dan ook niet mee te rekenen. De studie geeft aan om hoeveel MEP- en SDE-gelden het gaat (die vormen het grootste deel van deze post): 15,5 miljard. Maar ook eerdere uitgaven voor energiebesparing tellen nog op tot 2,4 miljard. Maakt samen 18 miljard euro.

Later in de NVDE repliek:

… en het feit dat de afspraken van het energieakkoord op de uitgaven niet al in 2013 maar pas in 2014 effect hadden op de rijksuitgaven (scheelt pakweg 3 miljard).

Reactie
De studie berekent wat het beleid om de 14%  duurzame energie in 2020 en 16% in 2023 te halen de burger kost, in totaal en in elk jaar. Het alleen rekenen van de kosten bovenop een referentiescenario is misleidend: zo kon minister Kamp stellen dat het energieakkoord juist geld opleverde, omdat het goedkoper was dan het ervoor geldende regeerakkoord. Alsof de burger geld over zou houden aan de 14% duurzame energie. De burger moet weten wat het beleid hem in totaal kost, daar gaat dit rapport over.
Aangezien de MEP en SDE kosten doorlopen tot 2031 horen ze meegenomen te worden in de berekening per jaar en van het totaal. Wat ons betreft staat die bijdrage in de kosten dan ook niet ter discussie.

Je zou kunnen argumenteren dat de uitgaven aan MEP en SDE voor afsluiting van het energieakkoord in 2013 niet meegeteld moeten worden. Die werden immers niet bewust gedaan om de 14% duurzaam in 2020 te bereiken. Daarom is in het rapport vermeld, zelfs in punt 1 van de samenvatting op pag 5, dat er dan 95 miljard euro overblijft van de 107 miljard.

Wij vinden dat echter een inconsequente redenering. De biomassa die in de periode tot en met 2019 wordt bijgestookt draagt immers ook niet bij aan de 14% duurzame energie in 2020. Het had heel veel geld gescheeld als er alleen in 2020 voor een jaar biomassa was bijgestookt en niet daarvoor en daarna. Maar iedereen begrijpt dat dat niet als zinvol en eerlijk beleid te verkopen is. Je moet de aanloop naar de 14% dus meenemen in de kosten. Daar horen de MEP en SDE dus ook bij.

Invloed op de kosten
Geen
(Tenzij de kosten voor 2013 niet meegerekend worden, dan gaat er 12,5 miljard euro van het totaal af, zie Samenvatting punt 1 op pag 5 en pag. 20 in het rapport.)

Kritiek
De studie rekent vermeden belastinginkomsten mee als kosten. Maar bij berekening van nationale kosten worden belastingen en -dervingen niet meegerekend. De studie hanteert hier een andere methode om het onrendabele deel van de uitgaven in te schatten. Ik houd me hier even aan de basisregel dat ze niet meetellen. Deze post bedraagt bijna 13 miljard euro.

Reactie
Belastinginning en –derving zijn boekhoudkundig gezien inderdaad neutraal voor de nationale kosten. In het totaal aan relevante geldstromen bij een bepaalde maatregel kun je ze in principe wegstrepen en alleen de andere kostenposten bekijken.

In het geval van de energiebesparing zijn die andere kostenposten volgens de manier van boekhouden van het PBL de geannuïseerde kosten van de maatregelen die tot de betreffende energiebesparing leiden, minus de baten van de kale energiekosten van de bespaarde energie (dus exclusief energiebelasting en dergelijke). Met geannuïseerde kosten wordt bedoeld de financiering van de maatregelen, bijvoorbeeld isolatie, vloerverwarming plus warmtepomp, dubbel glas etc, met een annuïteitenbenadering: dus met constante kosten over de hele periode, met in het begin de nadruk op rente, en later steeds meer aflossing. Daarbij moet dan volgens PBL 3% rente aangehouden worden.

Als de NVDE en PBL de belastingderving niet accepteren als nationale kosten, en 12 miljard van het totaal aftrekken, dienen ze dus een berekening van de bovengenoemde geannuïseerde kosten van de besparende maatregelen te maken en die weer bij het totaal op te tellen. Dat vinden wij prima, en hadden wij destijds ook liever gedaan.

Het probleem was dat ten tijde van het maken van de spreadsheet nog bijna niets bekend was over de maatregelen die genomen zouden worden: men was bijna alleen met duurzame energieopwekking bezig, en liet de energiebesparing op zijn beloop. Er was ook geen concreet beleid voor. Hier was dus geen zinvolle berekening voor te maken.

Wel was bekend welke besparing gehaald moest worden volgens het Energieakkoord, en welke belastingderving dit zou opleveren. En dat die voor 75% bij de burgers vandaan zou komen.

Ervan uitgaande dat de investeringen inclusief rente voor de meeste bekende middelen om flink energie te besparen in woningen zich op de kale energiekosten nooit meer terugverdienen, zoals onder kritiekpunt 3 en in het rapport uitgebreid wordt besproken en berekend, was de belastingderving een terughoudende schatting van de nationale kosten van de energiebesparing.

De 100% bestemming van de belastingderving als nationale kosten kan in de Uitgangspunten worden aangepast. Vooralsnog hebben we geen reden om aan te nemen dat de nationale kosten lager zijn dan deze belastingderving. In het rapport en in de toelichting op deze site is uitgebreid aan deze maatregelen gerekend en dat wijst in de richting dat de kosten eerder hoger dan lager zijn dan de 12,5 miljard in de spreadsheet. Uitgebreid onderzoek, zoals PBL gaat doen na 13 maart, zal uitwijzen of de nationale kosten hoger of lager worden.

Invloed op de kosten
(Vooralsnog) geen

Kritiek
Zoals gezegd, nationale kosten zijn iets anders dan subsidiekosten voor de overheid. Vooral voor opties die hoge investeringskosten hebben en lage variabele kosten zit hier veelal een verschil tussen van tientallen procenten. Dit komt doordat voor het berekenen van productiekosten in een nationale-kostenbenadering bij investeringen moet worden gerekend met een maatschappelijke discontovoet en de technische levensduur, en binnen subsidieregelingen als de SDE wordt gerekend met kapitaalkosten zoals die in de markt gelden, en met een (vaak kortere) economische levensduur. Daadwerkelijke meerkosten vallen dan relatief nog lager uit dan onrendabele toppen omdat de productiekosten dan nog worden verminderd met de waarde van de geproduceerde elektriciteit, warmte en/of gas. Denk aan ordegrootte een derde lager. Omdat ruim 60 miljard van de na aftrek van 1 en 2 overblijvende kosten kapitaalintensief zijn leidt dit al gauw tot een overschatting met 20 miljard euro.

Reactie
In de spreadsheet zijn de uitgekeerde SDE subsidies inderdaad geteld als nationale kosten. De grondslag ervan is immers de vergoeding van de onrendabele top.  Deze benaming is bijna de definitie van “Nationale Kosten”: dat wat het meer kost dan het alternatief. Om ervoor te zorgen dat dit ook echt precies de onrendabele top is, wordt het subsidiebedrag zelfs elk jaar aangepast aan de werkelijke baten aan verkoop van energie.

Het is ons dan ook onduidelijk welke nationale baten van deze nationale kosten afgetrokken moeten worden. De verkoopprijs van de energie zit al niet bij de SDE subsidie, dus die hoeft er niet vanaf getrokken te worden.

Volgens de NVDE zijn dit met name twee posten die je af moet trekken van de nationale kosten: baten uit een langere levensduur, en winsten van de betrokken ondernemers en banken.

De netto opbrengst (verkoop energie min onderhoudskosten) van de windparken na afloop van de subsidieperiode is inderdaad een nationale bate, maar het is zeer de vraag in hoeverre de baten van de kale stroomopbrengst bij een oud windpark de exploitatiekosten zullen overtreffen, zeker bij wind op zee, waar onderhoud zeer duur en vervanging van turbines onbetaalbaar is. In de praktijk worden windparken over het algemeen afgebroken zodra de subsidie stopt.
Bij zonneparken is de kans op baten uit langere levensduur groter, maar dat is maar een zeer kleine post in de spreadsheet.
De praktijk zal uitwijzen inhoeverre er substantiële extra nationale baten zullen ontstaan na de 15 jaar voorziene levensduur van de SDE projecten. Daar is op dit moment geen betrouwbare uitspraak over te doen.

Dat winsten van de uitvoerende bedrijven van de nationale kosten moeten worden afgetrokken is een principieel verschil met onze manier van rekenen. Er zit dan blijkbaar toch een verschil in de benadering van de kosten voor de maatschappij tussen onze methode en die van het PBL en NVDE. Wij houden staande dat onze methode de kosten voor de maatschappij het beste weergeeft.

Dat valt als volgt te onderbouwen:
Als je een miljard uitgeeft aan de onrendabele top van windstroom, en die financier je via de ODE uit het besteedbaar inkomen van de burger, dan geeft die burger die miljard niet meer uit aan boodschappen. Hij levert een heel miljard, inclusief de winst van de windmolenfabrikant en de financierende banken, in aan koopkracht. Hij kan dus een miljard euro minder besteden in de winkels waar hij zijn spullen koopt. Die winkels missen zowel omzet als winst en gaan failliet omdat de winst die zij eerst maakten nu bij een windmolenbedrijf wordt gelegd.
Daarvoor krijgt de burger echter precies evenveel stroom uit het stopcontact, maar voor een miljard euro meer.
De winst van de windmolenbouwer en de bank daaruit halen is niet correct, want die gaat af van de welvaart, net zo goed als materialen van de turbine, zoals in het begin van hoofdstuk 3 uitgelegd is. De winst is een normaal en onlosmakelijk onderdeel van de prijsvorming en noodzakelijk voor de productie. Onderscheid tussen materiaalkosten, loonkosten en winst is kunstmatig, als het gaat om de maatschappelijke kosten. Dat ze weer terugvloeien in de economie geldt voor loonkosten evengoed als voor winst. Bij ZZP bedrijven zijn ze zelfs niet te onderscheiden.
En hoe worden verliesleidende bedrijven in deze methode meegerekend? Een te lage aanbieding voor een windpark (subsidieloos zelfs) kan het betreffende bedrijf behoorlijk opbreken. Wordt dat dan als nationale kosten gerekend? En hoe weet het PBL dat dan vooraf?

Het gehele bedrag van de SDE subsidie voor de onrendabele top geldt dus als maatschappelijke kosten, en wordt terecht in onze berekeningen zo meegenomen.

Invloed op de kosten
Geen

Kritiek
Dan zijn er nog diverse andere aannames die tot overschatting leiden: Het constant houden van de energieprijzen (terwijl ze stijgen ten opzichte van de lage aannames in het rapport, scheelt pakweg 5 miljard)

Reactie
Zeer recent is de elektriciteitsprijs tijdelijk zeer hoog geweest. Het is zeer de vraag wat er in de toekomst met de elektriciteitsprijs gaat gebeuren.
Die wordt jaarlijks door het ECN verrekend in het correctiebedrag op de subsidie. Dit bedrag verschilt per technologie. Nu is het zeer waarschijnlijk dat er over enige jaren bij veel wind en/of zon in heel Noord-West Europa een groot overschot aan elektriciteit zal zijn, met bijbehorende lage tot negatieve marktprijs. Als dit op deze wijze in het correctiebedrag wordt verwerkt, zou de subsidie uitkomen op het bij toekenning gestelde maximum. Onze spreadsheet houdt een veel lagere subsidie aan. In dat geval is er dus geen sprake van lagere kosten zoals door de NVDE gesuggereerd wordt, maar van hogere kosten dan die in onze spreadsheet.

Bij biomassa geldt het omgekeerde: de stroomprijs van centrales zal extra moeten stijgen, omdat het bedrijven van backup-centrales zeer oneconomisch is, en ze toch noodzakelijk zijn. Door een hogere elektriciteitsprijs wordt de subsidie via het correctiebedrag lager. Maar de biomassabijstook wordt in de spreadsheet al in 2025 gestopt, waarna nog een klein bedrag aan AVI subside lager kan uitvallen door een hogere energieprijs.

Wij verwachten dan ook eerder een stijging dan een daling van de kosten tov onze spreadsheet als gevolg van de ontwikkeling van de elektriciteitsprijs, c.q. het correctiebedrag.
De correctiebedragen zijn in de spreadsheet per technologie naar eigen inzicht in te stellen in werkblad “Uitgangspunten”

Invloed op de kosten
Geen

Kritiek
De aanname dat zon-PV vooral op daken van kleinverbruikers wordt gerealiseerd (terwijl dat niet zo is, scheelt pakweg 3 miljard),

Reactie
Hier kan een 2019 update inderdaad een lager bedrag opleveren. De genoemde 3 miljard is niet onaannemelijk.

Invloed op de kosten
– 3 miljard

Kritiek
Het totaal van deze (niet complete) lijst overschattingen komt uit op 62 Miljard euro. De meeste daarvan zijn ook onderling optelbaar. Met een overschatting van ruwweg een factor 2 vind ik het eindoordeel ‘onwaar’ gerechtvaardigd.

Reactie
In de door NVDE genoemde punten vinden wij maar 3 miljard euro als realistische noodzakelijke correctie op onze spreadsheet.
De conclusie “Onwaar” is dus weerlegd.

Aanvulling naar aanleiding van de communicatie met PBL

Uit het overleg met PBL zijn nog enige andere correcties nodig gebleken:

Wind op zee subsidieloos
De eerste van de twee resterende grote wind op zee parken gaat waarschijnlijk ook subsidieloos worden. Als dan ook de laatste subsidieloos wordt, zou dat in totaal 2,7 miljard op het totaal schelen, zoals al in het rapport al wordt aangegeven (pag 30).

Van de 107 miljard blijft dan nog ca 101 miljard over (107 – 3 (PV) -2,7 (subsidieloze WoZ) = 101,3).

Netwerkkosten
Anderzijds hebben we waarschijnlijk de kosten van uitbreiding va het netwerk veel te laag ingeschat: daar was destijds nog bijna niets over vastgesteld, en dat zit dus maar voor een klein bedrag in de spreadsheet.
Maar ook los van de hoogte van het bedrag aan investeringen in het net, komen de kapitaalkosten ervan volgens de door het PBL gewenste annuïseringsberekening hoger uit dan onze directe renteloze toerekening.
Dat gaat dan samen om potentieel enige tot tientallen miljarden, wat het totaalbedrag flink boven de 107 miljard zou drukken.

Conclusie

Bij de presentatie van het rapport is benadrukt dat het een berekening is uit 2015 en 2016, die bevroren is in 2017, terwijl allerlei variabelen behoorlijk volatiel zijn. Er staat 107 miljard maar het kan ook 95 miljard of 120 miljard zijn.  Een tien procent onnauwkeurigheid zou ons meevallen.
We zijn dan ook benieuwd naar de nauwkeurigheid die PBL zal vermelden bij de presentatie van de kosten van het referentiescenario voor het Klimaatakkoord waar het energieakkoord onder valt, in april. Maar vooral welke nauwkeurigheid zal worden vermeld bij de presentatie van de kosten van het  Klimaatakkoord op 13 maart. Het zou ons meevallen als dat beter dan +/- 50% wordt.
Voor de totale kosten van het klimaatbeleid voor de maatschappij in 2030 moeten de onnauwkeurigheden van Klimaatakkoordberekening  en referentiescenario worden opgeteld. Een marge van +/- 10% voor het deel van het Energieakkoord zal dan slechts beperkt in het totaal meewegen.

Voor dit rapport ben ik het met Marc Londo eens dat bij 50% afwijking een “onwaar” beoordeling gerechtvaardigd zou zijn. Maar daar is vooralsnog geen sprake van. Redelijk waarschijnlijk is een overschatting van de kosten in het rapport met een kleine 6 miljard euro, wat het eindbecrag op 101 miljard laat uitkomen. Maar twee mogelijk aanzienlijk grotere kostenposten die nu nog moeilijk in te schatten zijn, zouden daar weer bovenop komen en het totaal boven de 110 miljard uit laten komen.

We achten de “onwaar” uitkomst van de factcheck dan ook bij deze ontkracht. De stelling dat de kosten minder dan de helft zijn van onze 107 miljard, zowel geuit door NBVDE als PBL, is niet met goede feiten te onderbouwen. De 107 miljard blijft overeind als een goede benadering van de kosten van het energieakkoord.

Repliek van de NVDE op de eerste 8 punten van de tab “Kritiek”

Marc Londo

In reactie op bovenstaande kanttekeningen bij de NVDE-factcheck: De in deze studie toegepaste methode is inherent niet geschikt om nationale kosten te berekenen omdat hij uitgaat van overheidsuitgaven. Zoals in de factcheck aangegeven zijn dat heel verschillende dingen.

Waarom dan toch de kwalificatie ‘onwaar’? Op basis van een ruwe kwantificering van de opmerkingen in de factcheck verwacht ik dat de studie al gauw een factor twee te hoog zit.

Hoofdpunten:
1. De studie rekent ook uitgaven die al vóór het energieakkoord zijn gecommitteerd mee.Oftewel: ook zonder energieakkoord zouden deze kosten zijn gemaakt. Het is in mijn ogen logisch om ze hier dan ook niet mee te rekenen. De studie geeft aan om hoeveel MEP- en SDE-gelden het gaat (die vormen het grootste deel van deze post): 15,5 miljard. Maar ook eerdere uitgaven voor energiebesparing tellen nog op tot 2,4 miljard. Maakt samen 18 miljard euro.
2. De studie rekent vermeden belastinginkomsten mee als kosten. Maar bij berekening van nationale kosten worden belastingen en -dervingen niet meegerekend. De studie hanteert hier een andere methode om het onrendabele deel van de uitgaven in te schatten. Ik houd me hier even aan de basisregel dat ze niet meetellen. Deze post bedraagt bijna 13 miljard euro.
3. Zoals gezegd, nationale kosten zijn iets anders dan subsidiekosten voor de overheid. Vooral voor opties die hoge investeringskosten hebben en lage variabele kosten zit hier veelal een verschil tussen van tientallen procenten. Dit komt doordat voor het berekenen van productiekosten in een nationale-kostenbenadering bij investeringen moet worden gerekend met een maatschappelijke discontovoet en de technische levensduur, en binnen subsidieregelingen als de SDE wordt gerekend met kapitaalkosten zoals die in de markt gelden, en met een (vaak kortere) economische levensduur. Daadwerkelijke meerkosten vallen dan relatief nog lager uit dan onrendabele toppen omdat de productiekosten dan nog worden verminderd met de waarde van de geproduceerde elektriciteit, warmte en/of gas. Denk aan ordegrootte een derde lager. Omdat ruim 60 miljard van de na aftrek van 1 en 2 overblijvende kosten kapitaalintensief zijn leidt dit al gauw tot een overschatting met 20 miljard euro.
4. Dan zijn er nog diverse andere aannames die tot overschatting leiden: Het constant houden van de energieprijzen (terwijl ze stijgen ten opzichte van de lage aannames in het rapport, scheelt pakweg 5 miljard), de aanname dat zon-PV vooral op daken van kleinverbruikers wordt gerealiseerd (terwijl dat niet zo is, scheelt pakweg 3 miljard), en het feit dat de afspraken van het energieakkoord op de uitgaven niet al in 2013 maar pas in 2014 effect hadden op de rijksuitgaven (scheelt pakweg 3 miljard).

Het totaal van deze (niet complete) lijst overschattingen komt uit op 62 Miljard euro. De meeste daarvan zijn ook onderling optelbaar. Met een overschatting van ruwweg een factor 2 vind ik het eindoordeel ‘onwaar’ gerechtvaardigd.

Inschrijven Nieuwsbrief

Recente reacties